Dotteren (PCI)
Algemeen
Het hart pompt dag en nacht zuurstofrijk bloed door het lichaam om de weefsels te voeden. Om te kunnen werken, heeft de hartspier zelf ook zuurstof en voeding nodig. Die worden door het bloed aangevoerd via de kransslagaders (coronairvaten). Dat zijn bloedvaten van hooguit enkele millimeters dik, die aan de buitenkant van de hartspier lopen. De kransslagaders kunnen vernauwd raken door een opeenhoping van cholesterol, kalk en klontertjes van bloedplaatjes (plaque). Dit proces heet slagaderverkalking (atherosclerose). Wanneer de hartspier te weinig zuurstof en voeding krijgt als gevolg van een vernauwing van een kransslagader, kan er pijn op de borst optreden. Dit heet angina pectoris. Soms kan er ook in de binnenkant van de vaatwand, die bedekt is met plaque, een scheurtje ontstaan waardoor het bloed er niet meer goed langs kan en gaat stollen. Hierdoor kan de kransslagader plotseling helemaal afgesloten raken waardoor een deel van het hartweefsel door gebrek aan zuurstof afsterft. We spreken dan van een hartinfarct.. Met een dotterbehandeling wordt de vernauwing in de kransslagader opgeheven, waardoor het bloed weer normaal gaat stromen en de hartspier weer voldoende zuurstof krijgt toegevoerd.

Toepassing
Voordat wordt overgegaan tot een dotterbehandeling wordt eerst een hartcatheterisatie gedaan om de vernauwing(en) goed in beeld te brengen. Vanaf een vernauwing van 50% tot 70% komt de patiënt in aanmerking voor een behandeling. Meestal is er dan ook sprake van pijnklachten (angina pectoris). De voor- en nadelen van een omleidingsoperatie (zie ook: bypassoperatie), een dotterbehandeling en een behandeling met medicijnen worden nauwkeurig tegen elkaar afgewogen.
De behandeling
Een speciaal hiervoor opgeleide cardioloog, de interventiecardioloog, voert de dotterbehandeling uit. De patiënt krijgt een verdovingsprik in de lies, waarna de liesslagader wordt aangeprikt. (Zie ook: hartcatheterisatie) Via dit gaatje wordt een katheter met een geleidedraad naar binnen geschoven. De katheter wordt opgevoerd naar het hart, waarna er contrastvloeistof wordt ingespoten zodat de kransslagaders zichtbaar worden. Als zichtbaar is waar de vernauwing zit, wordt een ballonnetje via de katheter naar deze plek gevoerd en onder hoge druk opgepompt. Hierdoor wordt de vernauwing in het bloedvat opgerekt en wordt de 'plaque' (een brijachtige massa) platgedrukt. Meestal moet het opblazen enkele keren herhaald worden voor een goed resultaat. Na afloop van de behandeling wordt de katheter weer verwijderd en wordt het prikgat in de (slag)ader een tijdje stevig aangedrukt, waarna men een drukverband plaatst dat enkele uren moet blijven zitten. Soms gebruikt men een 'angioseal', een soort dopje dat vanzelf in de (slag)ader en de huid oplost. Bij dotteren via de lies moet de patiënt na afloop van het onderzoek nog enkele uren plat blijven liggen.

Stent
Soms blijft de vernauwing na de behandeling terugveren, of laten er stukjes van de vaatwand of flarden van de plaque los. Het kan dan nodig zijn om een stent op de plek van de vernauwing in het bloedvat te plaatsen. Een stent is een cilindertje van gaas, vergelijkbaar met een ballpointveertje, dat de kransslagader van binnenuit openhoudt. Een stent beschermt ook tegen terugveren op langere termijn. Soms groeit het vat van binnenuit toch weer dicht na het plaatsten van een stent. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de ontstekingsreactie die het gevolg is van de schade die aan het bloedvat wordt toegebracht bij de implantatie van de stent. Daarom past men tegenwoordig steeds vaker stents toe die een medicijnlaagje bevatten; hierdoor wordt de vorming van plaque in de stent tegengegaan